Prenten uit de Kunstkroniek

Grafdelver op een bankje.prentkunst 001

Wie regelmatig prenten bekijkt in alle hoeken en gaten van de handel, ontmoet onvermijdelijk prenten die als bijlage van het tijdschrift Kunstkroniek zijn verschenen. Daar zitten veel pareltjes bij en het is dus de moeite om even stil te staan bij het blad en zijn prenten.

Door A.J. Vervoorn

 

Tijdschrift

De negentiende eeuw kende vele tijdschriften die met prenten werden geïllustreerd. Dat begint in Frankrijk met bladen als La Caricature en Charivari, die door de litho’s van Daumier, Gavarni en vele andere steentekenaars onsterfelijk zijn geworden. De technische ontwikkelingen maakten snelle productie en grote oplagen mogelijk en de maatschappelijke ontwikkelingen schiepen een publiek dat hongerde naar nieuws. De bladen hadden invloed en zorgden voor sensatie, waar de illustraties vaak een hoofdrol bij speelden. Later in de eeuw worden ook andere tijdschriften geliefd om hun prentbijlagen die vaak van hoge kunstwaarde zijn. Denk aan de Gazette des Beaux Arts in Frankrijk, The Sudio en Art journal in Engeland met (verstaalde) etsen en litho’s van de beste kunstenaars.
Ook in Nederland zijn fraaie dingen gedaan op dit gebied: aan het eind van de eeuw was er De Kroniek (van Tak) met prenten van Van Hoytema, Bauer en Veth en eerder dus al de Kunstkroniek. De Kunstkronijk (in latere jaargangen werd nijk vervangen door niek) werd vanaf 1840 ‘uitgegeven ter aanmoediging en verspreiding der schoone kunsten’, zoals het titelblad meldt. Het was een uitgave van de Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten in ‘s-Gravenhage met als bestuurder J.J. van Ryckevorsel. Die maatschappij, opgericht in 1840, werd na drie jaar ondanks de grote ambities al weer opgeheven wegens geldgebrek. Doel was ‘de oprichting bij actieën van eene societeit en commanditie ter bevordering van schoone kunsten en van wetenschappen’. Als middelen daartoe werden genoemd ‘het teekenen, schilderen, steendrukken, graveeren op allerlei wijzen, plaatdrukken, boekhandel, koop en verkoop, commissie- en ruilhandel in alle vakken, die de Kunsten en Wetenschappen betreffen of daarmede in verband staan’. De Maatschappij bezat een eigen pand en ook de Houtgraveerschool, waarvan de toen beroemde Engelse houtgraveur Brown directeur was. De Kunstkronijk vermeldt ook dat het blad was ‘gedrukt door de maatschappij’.

Het openingsartikel van het eerste nummer straalt een geweldig elan uit. Na de constatering dat de kunsten bloeien, lezen we: ‘De vorderingen welke er in haar gebied, sedert den algemeenen vrede van 1815, hebben plaats gegrepen, zijn in der daad zeer groot. En Nederland is ook, ten deze, niet achterlijk gebleven. Wat echter de middelen betreft, om onze kunstwerken, als artikelen van handel, allerwegen en in alle standen der Maatschappij te verspreiden, daaraan heeft het ons tot nog toe ontbroken.’ En daar moest het tijdschrift natuurlijk verandering in gaan brengen tot meerdere eer en (financiële) glorie van kunstenaar en samenleving.

Houtgravures

prentkunst 002

Voor 't naar school gaan.

Voor de illustraties was er iets slims bedacht. De Maatschappij had de Houtgraveerschool opgericht en de leerlingen daarvan konden mooi de nodige gravures leveren. Dat was allicht goedkoper dan werk van gevestigde kunstenaars kopen en ook een stimulans voor de leerlingen. In het eerste nummer van de Kunstkronijk stond ter toelichting het artikel ‘Houtsnee-school. De Heer Brown.’ Voor ons is opvallend dat niet over houtgravure, maar over houtsnede wordt gesproken, maar die termen worden wel vaker over één kam geschoren. De school ‘werd den 1 julij ll. geopend, en telt reeds 22 leerlingen. Wij hebben alle redenen ons de beste uitkomsten van eene school, onder de leiding van den bekwaamsten houtsnijder onzer eeuw, den Hoogleeraar Brown, te beloven’.

‘De ‘sGravenhaagsche houtsneeschool levert, onder de leiding van zulk een ervaren man, het voordeel op, dat, volgens hare inrigting, het onderwijs niet alleen gratis aan de leerlingen wordt gegeven, maar de maatschappij hun werk, zoodra haar hetzelve kan dienen, aankoopt; terwijl elk jeugdig kweekeling, alle maanden, reeds in het tweede leerjaar, eene kleine geldelijk belooning genieten kan, waarvan een gedeelte zal worden ingehouden, ten einde hem in de gelegenheid te stellen, om na een’ vierjarigen cursus, wanneer hij zijnen tijd wel zal hebben besteed, zich eenen plaatsvervanger voor de nationale militie aan te schaffen.’ Vooral dit laatste argument is in hedendaagse ogen curieus, want onze dienstplicht is al lang verdwenen en het inhuren van een vervanger al heel onvoorstelbaar! Maar voor de grafische kunsten was het heilzaam. Oud-leerlingen als J. Weissenbruch, E. Verveer en W.H. Stam hebben in hun verdere loopbaan fraaie prenten gemaakt.
Maar vóór die leerlingen het graveursvak voldoende beheersten, publiceerde de Kunstkronijk naast originele steendrukken voornamelijk houtgravures van buitenlandse herkomst. Dat klopte niet met de gewekte verwachtingen en aan het eind van het vierde nummer verscheen een toelichting. ‘Zonder trots mogen wij ons verheugen in de ontvangen verzekeringen van tevredenheid onzer geëerde Geabonneerden, over de houtgravures, welke tot heden in de Kunstkronijk geplaatst zijn. Velen, ja zelfs eenige dagbladen, de vervaardiging derzelve aan den Heer H. Brown, Directeur der Haagsche Houtgraveerschool, toeschrijvende, achten wij ons verpligt te verklaren, dat geen derzelve door dien Heer bewerkt zijn, uitgenomen het vignet, geplaatst aan het hoofd van het eerste blad der Kunstkronijk.’ Dat vignet was naar een ontwerp van J.J. Eeckhout. Om het goed te maken is dan bij dit vierde nummer een fraaie houtgravure van Brown gegeven met de voorstelling van een grafdelver op een kerkbankje. Ook in de vele latere jaargangen zijn echter grote houtgravures als bijlage zeldzaam gebleven; wel verschenen er talloze kleine prentjes en vignetten tussen de tekst, al dan niet gesigneerd door de graveur.

Gezicht op een stadswal.

prentkunst 003Litho’s

De overgrote meerderheid van de prenten in de Kunstkronijk zijn steentekeningen; in latere jaargangen verschenen ook wel staalgravures die overwegend van buitenlandse herkomst waren (overigens zonder dat dat vermeld wordt). De lithografie is toch wel de grafische techniek bij uitstek voor de negentiendeeeuwse prentenproductie. Weliswaar overtreft puur kwantitatief de houtgravure de steentekening, maar de kunstzinnige bijdrage is vele malen geringer. Ofschoon in 1840 al een ruime ervaring met de lithografie bestond, zag de Maatschappij daar voor zich toch ook een taak. ‘De Maatschappij houdt zich alsmede onledig met het oprigten eener school voor de steendrukkunst, alwaar de leerlingen der teekenakademie zich in het teekenen en graveren op steen, zullen kunnen bekwamen. Verders zullen aldaar werklieden worden opgeleid voor alle vakken, tot de steendrukkunst betrekkelijk, tot wier behoorlijke uitoefening veel smaak en een goed oordeel noodwendig vereist worden.’ Alle lithografische bijdragen van de eerste jaargangen vermelden als drukker ‘Ned. Maatsch. v. Schoone Kunsten’ en werden vrijwel allemaal op chine appliqué gedrukt dat voor de fraaiste grijstonen zorgde. Den Haag is lang een belangrijke stad voor de Nederlandse steendrukkerij geweest, waar ook drukkerijen als Steuerwald en Lankhout aan bijdroegen. Goed opgeleid personeel is daarvoor belangrijk!
De beroemdste litho uit de Kunstkroniek is ongetwijfeld ‘Voor ‘t naar school gaan’. Dit schilderij van Matthijs Maris werd door F.H. Weissenbruch (1828-1887) in 1866 op steen getekend. Het blad meldt echter: ‘Door de op ons verzoek bereidvaardig gegevene medewerking van den schilder is deze litho echter weder zeer verschillend geworden van het schilderijtje.’ In zijn geschiedenis van de lithografie constateert Simon Moulijn dan ook dat Maris er ‘zoveel zelf in gewerkt heeft, dat het gevoegelijk voor een werk van zijn hand kan gelden’.
De familie Weissenbruch was niet alleen door de uiterst productieve en uiterst bekwame steentekenaar Frederik Hendrik in de Kunstkronijk vertegenwoordigd. Ook van Jan Weissenbruch verscheen een aantal litho’s in het blad in de jaren vijftig. Ze zijn meest gedrukt met een steunkleur en die kan in de loop van een oplage nogal variabel zijn. Zo kan het licht op de prent ‘Gezicht op een stadswal’ uit 1852 variëren van groenigkoel tot gelig-zomers. Bij de prent verscheen ook een grote lofzang van de dichter S.J. van den Bergh: ‘Aan Jan Weissenbruch.’

Nog iets bijzonders van een aantal Kunstkroniek-litho’s is het gebruik van reliëfdruk. Deze technische truc, die veel later Van Hoytema’s ‘Angorakonijnen’ zo beroemd zal maken, werd al in de jaren zestig toegepast op diverse litho’s. Een voorbeeld is de prent die lithograaf A.C. Nunnink (1813-1894) maakte naar een schilderij van M. van Raden. Door de triomfpoort van Aosta kijken we naar de besneeuwde toppen van de St. Bernhard in de verte. Die sneeuw ligt door het reliëf echt óp de bergen en met strijklicht geeft dat een fraai effect. Drukker Steuerwald leverde vakwerk!

Glyphographie

De meest curieuze prent van de Kunstkroniek verscheen in 1850 in de elfde jaargang. De prent valt vooral op door de gebruikte techniek, maar ook de ontwerper is opmerkelijk. Het gaat om een ‘Landschapsstudie’ door C.E. Taurel naar Calame. De Zwitser Calame is wel ‘de Rembrandt van het landschap genoemd’ en door veel grafici als voorbeeld genomen. Charles Edouard Taurel (1824-1892) heeft fraaie etsen en gravures gemaakt, wat hij geleerd had van zijn vader André Benoit, die directeur was van de graveerschool aan de Koninklijke Academie in Amsterdam. De prent is door M.H. Binger te Amsterdam gedrukt met zomers aandoende steunkleuren. De gebruikte techniek was zo bijzonder dat het blad er een aparte toelichting bij gaf. ‘Reeds in het jaar 1844 hebben wij in ons maandelijksche overzigt der Kunstberigten, gewag gemaakt van de Glyphographie als buitenlandsche uitvinding. [-] Wij gelooven dat zij geenerlei soort van gravure zal verdringen, want gelijk iedere kunst staat zij op zich zelve, bezit zij hare eigenaardigheid, heeft zij hare bijzondere eisen, vordert zij eene bijzondere behandeling en brengen hare werken een bijzonder effect te weeg. Wat uitvoerigheid betreft, houdt zij het midden tusschen hout- en kopergravure, en wegens de onslijtbaarheid harer reliëfvormen biedt zij belangrijke voordeelen aan bij het afdrukken op de boekdrukpers.’ De verwachtingen over deze techniek waren dus hooggespannen, maar het is verder met de glyfografie niet veel geworden.

De triomfpoort van Aosta.

prentkunst 004prentkunst 005

Landschapsstudie.

Twitter

Social media

twitterFacebook

Contact

Stip Media

Louise de Colignystraat 15 

1814 JA Alkmaar

+3172 531 49 78

info@boekenpost.nl