Schotels schone (sch)etsen

prent001De technische kant van prenten blijft voor de grafiekverzamelaar steeds een belangrijk aspect bij de verwerving van nieuwe bladen. Kennis van de diverse druktechnieken en papiersoorten is nodig om te beoordelen of een prent interessant is en of eventuele gebreken herstelbaar zijn.

Vroege of late drukken, eerste en volgende staten en andere toch vooral technische aspecten zijn van belang bij de waardering voor een blad grafiek. En hoe ouder een prent is, hoe belangrijker de geschiedenis van de prent: uit welke verzameling(en) komt hij, oftewel de provenance, is hij schoongemaakt of gedoubleerd, zijn er vermeldingen in catalogi of vakliteratuur? En dan is er soms nog de mogelijkheid van vervalsingen en reproducties voor de herkenning waarvan technische kennis noodzakelijk is.


Door A.J. Vervoorn

Al deze zaken staan geheel los van de vraag of een prent ook inhoudelijk of artistiek de moeite waard is. De hand van een grote kunstenaar maakt ook een technisch minder perfect blad nog waardevol en een superieur uitgevoerd grafisch werk van een minder boeiend kunstenaar kan de moeite waard zijn. Ideaal is de perfecte combinatie van een artistiek sublieme prent in een vlekkeloze staat, liefst met een boeiende geschiedenis. Maar ja, in het leven is niet alles ideaal en ook de prentenverzamelaar moet zich soms schikken en genoegen nemen met een kleine imperfectie.

Behalve de verzamelaar is natuurlijk allereerst de grafische kunstenaar met de technische kanten van de prentenproductie bezig. Hij moet om te beginnen beslissen of hij de prent in hoog-, diep- of vlakdruk zal uitvoeren. Past de gekozen techniek bij zijn concept, beheerst hij de techniek en heeft hij de juiste pers? Idealiter drukt de graficus zelf zijn prent, maar er bestaan nog altijd gespecialiseerde drukkers die technisch aanvullen wat een graficus ontbeert. In de schilderkunst ligt dat meestal heel anders; daar zijn assistenten vooral bedoeld om de productie te verhogen en niet om de technische gebreken van de kunstenaar op te vangen. In de loop der tijd zijn er ook diverse grafici geweest die over de techniek van hun vak geschreven hebben, denk bijvoorbeeld aan Ph. Zilcken, Ed. Becht of Arend Hendriks. Bij beeldhouwers, om nog eens een andere kunstdiscipline te nemen, is dat toch niet denkbaar! Ook zijn er grafici van wie de reputatie sterk verbonden is met hun technische vaardigheid. Zo afficheerde Frans IJserinkhuisen zich graag als de ‘uitvinder van de chroomets’ en is aan de naam van Andreas Schotel onlosmakelijk de term ‘schone druk’ verbonden. Over hem zal het hier verder gaan.

Wie was Schotel?
Andreas Schotel werd in 1896 in Rotterdam geboren als telg van een befaamde schildersfamilie en overleed daar in 1984. In zijn geboortestad volgde hij de opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen, waar als docent onder anderen F. Nachtweh lesgaf. Hij zat in de net gestarte grafiekklas van A. Derkzen van Angeren (1878-1961), welke klas er op initiatief van medicus en grafiekverzamelaar dr. J.C.J. Bierens de Haan (1867-1951) is gekomen. Medeleerling was daar Albert Neuhuys jr.(1895-1968) met wie Schotel bevriend raakte. De wat oudere Johannes Proost (1882-1942) kwam die vriendschap aanvullen. De drie waren sterk sociaal bewogen en namen als onderwerp geregeld arbeiders, fabrieken en installaties. Zo maakte Schotel in 1918 een reeks etsen van de Rotterdamse gasfabriek. Hij had toestemming van de directeur verkregen om op het terrein te werken. In de contacten zal zeker ter sprake zijn gekomen dat Schotel graag in Brabant werkte en het toeval wilde dat de broer van de directeur houtvester was op het uitgestrekte landgoed De Utrecht in Esbeek. Het landgoed ontleende zijn prent002naam aan de gelijknamige Levensverzekeringsmaatschappij die het gebied als duurzame belegging had gekocht.
Vanaf de jaren twintig heeft Schotel dan twee werkplekken. In 1922 mag hij een houten atelier bouwen op het Gemeentelijk Handelsterrein aan de Binnenhaven in Rotterdam, dat tot 1967 in gebruik bleef. In 1924 mocht hij een voormalig tuinhuisje op De Utrecht neerzetten, waar hij tot zijn dood in de zomers verbleef. Het huisje, ‘De Schuttel’, bestaat nog steeds. De twee werkplekken bepalen het grootste deel van de onderwerpen van zijn grafiek: enerzijds Rotterdam met arbeiders, fabrieken, haven- en stadsgezichten en anderzijds het landelijke Esbeek en zijn boerenactiviteiten. Veel werk verkocht hij in Brabant niet, maar bijvoorbeeld de dokter van Hilvarenbeek wilde wel kunst als betaling aannemen.
In de op Tweede Pinksterdag 2015 verschenen mooie publicatie Andreas Schotel Museum Esbeek, Museumgeschiedenis en Kunstenaars (175 blz.) wijst de auteur Peter Thoben terecht op een buitengrafische waarde van Schotels etsen. ‘Boerderijen zowel exterieur als interieur met schouw en stal, boerenerven, boerenkoppen, boeren werkend op het land bij zaaien, ploegen, maaien en oogsten brengt hij in beeld. Daar hij zo’n zestig jaar lang het boerenbedrijf volgt, komt in zijn naoorlogse etsen de mechanisatie van de landbouw steeds nadrukkelijker naar voren. Onbewust is hij daardoor tot chroniqueur van het Brabantse boerenleven geworden.’

prent003De schone druk
Wat is nu die ‘schone druk’ waar het bij de etsen van Schotel en Proost altijd over gaat? Het principe van de ets is dat inkt aangebracht wordt in de lijnen die in een metalen plaat zijn uitgebeten en dat die inkt er vervolgens bij het afdrukken weer ‘uitgezogen’ wordt door het papier. Bij het ininkten van de plaat komt er natuurlijk ook inkt buiten de lijnen op de plaat en die moet er dan voor het drukken weer afgehaald worden. Bij dat ‘afslaan’ van de plaat kan al dan niet met opzet een inktlaagje overblijven en dat zorgt dan voor de zogenaamde toon op de afgedrukte ets. Het is een effect dat soms een sfeervollere prent oplevert, maar ook als verdoezeling van gebreken dient. Schotel en Proost kozen nu voor de principiële stellingname dat elke toon uit den boze is en dat uitsluitend de gebeten lijn afgedrukt mag worden. Die soms diepgebeten lijnen vereisen een intens zwarte inkt en die gingen ze ook zelf maken. Dat volledig schoonmaken van een etsplaat is nog een kunst apart en daarvoor bouwde Schotel een speciaal apparaat. Zijn leerlinge en compagnon Magdalena Rademaker zei over dat schoondrukken: ‘Daarvoor had hij een kleine machine ontworpen met twee rollen die de plaat helemaal schoon konden vegen. Het apparaat heette Mari. We noemden het ook wel de onbevlekte ontvangenis, omdat het principe met maagdelijkheid te maken had. Door aan een wiel te draaien gingen de rollen bewegen. Verder kwam er een met warm water gevulde bak aan te pas waar een rol papier doorheen ging.’
Eind 1931 kwamen ze met hun opvattingen naar buiten bij een tentoonstelling in Museum Boymans, waarbij Proost in de catalogus een inleiding over hun nieuwe drukprincipe schrijft. Daar is toen door voor- en tegenstanders nogal wat discussie over gevoerd. Nog in 1951 echode die discussie na, toen Schotel gepikeerd reageerde op dr. A. van der Boom die in zijn in 1950 verschenen boek Hedendaagse Prentkunst in Nederland opmerkte: ‘Maar voor zover ik het zien kan, blijft dit alles uiteindelijk toch een kwestie van opvatting en vooral ook van de vraag, tot welke methode men zich artistiek het sterkst voelt aangetrokken. Over schoon drukken of met “toon” kan men van mening verschillen. Daar is dunkt mij alles mee gezegd.’ Die relativering van het principe viel bij Schotel helemaal verkeerd!

prent004Voorbeelden
De jonge Schotel had van Derkzen van Angeren het etsen goed geleerd, zoals te zien is op een prent uit 1919, getiteld NBrabant. Of het Esbeek is, weet ik niet, maar voor de sfeer maakt dat niet uit. Een ets nog met plaattoon gedrukt en heel gedetailleerd uitgewerkt. Rechts onder een hoge eikenboom zien we het dak van een boerderij. Midden in beeld komt een paard met een eenassige wagen naar ons toe op het zandpad dat tussen de bomen loopt. Een zomers en rustgevend beeld.
Hoe anders is het beeld van de latere prenten! Op de ongedateerde prent van een Hollands landschap is geen spoor van toon meer te ontdekken. Diepgebeten en intens zwart gedrukte lijnen contrasteren met het witte papier en het waterlandschap is wijds en nuchter afgebeeld. Schotels manier van werken is wel eens in verband gebracht met vroeg-zeventiende-eeuwse etsers als W. Buytewech en E. van der Velde en deze prent is daar een goed voorbeeld van. Alleen al zoals de hoge bomen in de wind staan, is precies zoals Buytewech ze afbeeldde en ook meestal zonder plaattoon drukte.
De opvatting dat een ets puur en uitsluitend uit heldere lijnen moet bestaan en zonder enige schilderachtigheid moet worden afgedrukt, komt het best tot zijn recht als ook het gekozen onderwerp al een heldere lineaire structuur heeft. In de Rotterdamse haven zijn hijskranen en andere metalen constructies dus een graag gekozen onderwerp. Maar ook in de Esbeekse omgeving zijn in de natuur heldere structuren te vinden. Neem iets eenvoudigs als een korenaar. Schotel heeft enige aren uiterst fijn geëtst en alle korrels en lange, dunne uitlopers van de aren vastgelegd. Het bijgaande voorbeeld, dat twee tegelijk afgedrukte etsen laat zien, is in zijn eenvoud een meesterstuk. Ook de berkenboompjes demonstreren hoe Schotel in zijn latere etsen de haast schetsmatig vastgelegde essentie van het gekozen onderwerp wist weer te geven. De ‘schone’ druk versterkte die opvatting en voor de Esbekers en andere Brabanders blijven Schotels schone prenten ook schone prenten in een andere betekenis.

Literatuur
A. van der Boom, Hedendaagse Prentkunst in Nederland,
Amsterdam/Antwerpen 1950
Ida Jager, Sterk van Kleur, Grafiek in Rotterdam in de twintigste eeuw, Schiedam 2005
P. Thoben, Andreas Schotel Museum Esbeek, Esbeek 2015

Twitter

Social media

twitterFacebook

Contact

Stip Media

Louise de Colignystraat 15 

1814 JA Alkmaar

+3172 531 49 78

info@boekenpost.nl