Reiservaringen op de prent

22aug15p001

Al eeuwen bestaat er een samenhang tussen prenten en reizen. Talloos zijn de series met gezichten van verre landstreken, bijzondere steden en alles wat een kunstenaar op reis kon vastleggen. Wie verre reizen maakt, kan veel verhalen en dat hebben de grafici met hun prenten dan ook steeds gedaan. Hoogtepunt in dit genre zijn de prenten van Piranesi,

die voor de rijke reiziger souvenirs aan Rome waren. In de tijd vóór de uitvinding van de fotografie en later de film had die tak van prentkunst behalve een esthetische ook een educatieve functie. Slechts weinigen konden zelf naar verre oorden afreizen voordat midden negentiende eeuw de trein ging rijden. Op die vele stads- en landschapsprenten is de reiziger zelf meestal afwezig en ook de vervoersmiddelen worden meest weggelaten. Maar vooral de negentiende eeuw heeft zo veel prenten opgeleverd dat er toch voldoende leuke voorbeelden van reizigers en hun ervaringen te vinden zijn.
Door A.J. Vervoorn

22aug15p00322aug15p002De trekschuit
Als middel van vervoer had de reiziger begin negentiende eeuw eigenlijk de keus uit twee: de koets of de trekschuit. Voor beide gold dat het langzaam ging en dat het niet altijd comfortabel was. De schrijver Nicolaas Beets vatte zijn ervaringen met de trekschuit zo samen in het hoofdstuk ‘Varen en Rijden’ in de Camera Obscura. ‘Zoodra men de trekschuit binnenstapt en het deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet, en zijn hoekje gekozen heeft, is het alsof er vanzelf een geest van bekrompenheid, van kleinheid op ons valt. Zoodra dat graf zich over ons sluit, schaamt men zich geene enkele flauwheid meer. Men gevoelt lust om met belangstelling te spreken over het schelen der klokken, den prijs der levensmiddelen, of al weder het gewichtig vraagpunt te behandelen, of het na het middagmaal beter is te gaan wandelen of een dutje te doen.’ Het is dus allemaal niks in die trekschuit: klein en benauwd, en gezeur om je heen. En bijna zeeziek kon je ook nog worden: ‘Dan is er iets weeheidaanbrengends in de beweging der schuit, dat uw belangrijkst boek vervelend maakt, en uw esprit de jeu verflauwen doet, - maar vooral is er in de trekschuiten een praatgenius van een ellendig soort.’
Op de prent uit de Voyage Pittoresque, die rond 1822 door J.B. Madou (1796-1877) op steen is gezet naar een tekening van de Howen, zien we de trekschuit tussen Delft en Den Haag. Het is grijs weer en de luiken zijn dicht- Beets’ graf. Links op het jaagpad loopt het paard dat de schuit trekt en ook nog de jager op zijn rug draagt. Over de brugleuning hangt een jongen, die misschien geholpen heeft het touw onder de brug door te krijgen. De schippersknecht duwt de boot af tegen de brug en de schipper staat achterop met een pijp in de mond. Rust alom en tijd was nog geen geld. Een andere trekschuit is te zien op een aquatint die waarschijnlijk door Cornelis Apostool (1762-1844) is gemaakt, al dan niet naar het voorbeeld van S. Ireland, die in 1789 een toer door Holland maakte. De sepiakleur geeft een zomers effect aan deze ‘Hollandsche Trek en Volkschuit’ en het lekkere weer zorgt ervoor dat de luiken open kunnen staan. Er zitten al een paar passagiers binnen en links komt nog een echtpaar aan, gevolgd door een knecht met de bagage. Op de voorplecht staat de schipper –met pijpje – te overleggen met de jager over de aanstaande afvaart.

De koets
Beets heeft ook zijn ervaringen met het reizen per koets beschreven in ‘Varen en Rijden’. Over de brug tussen Delft en Den Haag op Madous prent rijdt er een. Veel beter dan de trekschuit was het meestal niet. De diligences van Van Gend en Loos krijgen lof van Beets, ‘maar velen uwer collegae zetten ons in een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige, harde, tuitelige doos, een soort van groote rammelende builkist op vier wielen: in de eene, hebben wij geen plaats voor onze dijen, in de andere geen ruimte voor onze knieën: uit deze komen wij met bevroren teenen, uit gene met een stijven nek; wij rijden ons ziek, wij rijden ons hoofdpijn, wij rijden ons dóór; wij meenen gek te worden van het gesnor aan onze ooren en ‘t gedender aan onze voeten; en dikwijls denken wij er, onder het dooreenwerpen onzer ingewanden, met bekommering aan, wat gelukkiger zijn zou, dood of levend er uit komen!’ Gelukkig zag Beets voor de reiziger licht aan de horizon verschijnen, want de stoomboot en vooral de trein beloofden een heerlijke toekomst voor de reiziger.
22aug15p004
De oversteek
Brede rivieren waren voor de vroege reiziger altijd een extra hindernis. Grote bruggen kwamen pas later in de ‘IJzeren Eeuw’, en tot die tijd waren veerboten van groot belang. Op 31 mei 1822 keurde koning Willem I het reglement goed van de eerste stoombootdienst in Nederland, het veer Willemsdorp - Moerdijk. Hoogst actueel was dus de litho die binnen een jaar verscheen in de Voyage Pittoresque, door Madou op steen gezet naar een tekening van generaal De Howen. Op Bateau a vapeur sur le passage du Moerdijk staat de diligence en de flinke golven maken deze oversteek van het Hollands Diep vast tot een spannende belevenis. Voor de zekerheid houdt de koetsier het paard maar bij het hoofdstel vast. Een nogal geestige veerpontervaring staat op een litho van de vooral als schilder beroemd geworden Ludwig Knaus (1829-1910), wat later in de negentiende eeuw. Het is een spotprent op de Duitse titelzucht en de nuchtere reactie van de dialectsprekende veerman. Een hoge ambtenaar is op dienstreis en moet de Rijn oversteken. Hij roept naar de andere oever: ‘Schiffmann, bringt den Nachen herüberrr…’ De schipper vraagt terug: ‘Wer is denn dooooo…?’ De ambtenaar gooit dan het gewicht van al zijn titels in de schaal: ‘Der General Superintendent und geheime Regierungs- und Consistorialrath, Doctor und Professor…’, waarop het antwoord van de schipper is: ‘Wenn er där so ville sind, da wärd ich wohl mit der Schaal komme müsse.’ Ter verklaring staat vermeld: ‘Schaal ist der grosse Kahn, in welchem die Fuhrwerke übergesetzt werden.’ Op de achtergrond komt een stoomschip over de Rijn aanvaren. De prent is vlot getekend en met een steunkleur gedrukt voor de Düsseldorfer Monathefte.
22aug15p005
De trein
Vanaf de tweede helft der negentiende eeuw rijdt de trein en gaan er veel meer mensen reizen. Dat levert weer vele nieuwe reiservaringen op. De reiziger moest aan van alles wennen als hij het spannende avontuur van de treinreis ondernam. Die spanning werkt zoals bekend vaak door op de ingewanden en het toilet is dan ook een belangrijk onderdeel van elk station. Hoe dat er rond 1870 uitzag, zien we op de prent die J.Holswilder (1850-1890) maakte van de eenvoudige boer die nog niet vertrouwd was met alle stationsmogelijkheden. Hij ‘moet’ erg nodig, de trein staat al te wachten. Maar hij heeft een probleem: ‘Voor Heeren. Voor Dames! Maar waar alle duivels dan voor de boeren?! Ojemini! O!’ Voor hedendaagse dames en heren zou het houten huisje niet erg aantrekkelijk meer zijn, lijkt me, maar nu hebben we wc’s in de trein. Nergens beter dan in Frankrijk is het gedrag van de reizende burgerman vastgelegd op prenten. Daumier is onovertroffen in het weergeven van de menselijke emoties en het doen en laten van de gewone stadsbewoner. Hij heeft dan ook vele prenten gemaakt met reiservaringen per trein, omnibus of koets. In Frankrijk begint het treinleven net als bij ons in 1837, als een trein van Parijs naar St-Germain gaat rijden. In 1843 volgt een verbinding Parijs-Orléans, en dan wordt het menens met reizen. Die reis duurde nog vier uur en de derdeklasreizigers zaten in open wagons; aan de stations waren brillen te koop om de ogen tegen gruis te beschermen! Daumier heeft daar een prachtige litho van gemaakt. De reiziger moest aan alles denken en ook de dienstregeling van de trein in de gaten houden. Een zomers dagje uit met vrouw en kind kon vervelend aflopen als je de trein miste. Naar een tekening van Daumier maakte C. Maurand in de jaren zestig een houtgravure: Le Retour de la Campagne. De ontzetting over die ramp bij het gezin is duidelijk te zien, terwijl de gemiste trein in de verte verdwijnt.

22aug15p006Wachten
De toename van de mobiliteit in de tweede helft van de negentiende leverde volle treinen en, binnen de stad, volle omnibussen op. De wachtkamer deed zijn intrede en het gedrag van een groep onbekenden die tijdelijk samen in een ruimte bij elkaar zitten, is boeiend. Dat vond Daumier dus ook en hij maakte daarvan een tekening die door Maurand in hout gegraveerd werd: Un bureau d’attente d’omnibus. Een aardige tekst van Achille Arnaud begeleidde deze prent in Le Monde Illustréé, waarbij alle aanwezigen aan bod kwamen. Als laatste: “Ce personage au pince-nez irresistible appartient a la catégorie des impatients. Pendant vingt minutes ou une heure et demie, il se fait le cauchemar de tous ces gens paisibles que le savant et humoristique crayon de M.H. Daumier s’amuse a immortaliser pour l’instruction des races futures.” Dat Youp van ‘t Hek rechts staat mee te kijken, maakt de prent voor ons - het ‘race future’- extra leuk.

Literatuur
N. Beets, Camera Obscura, 18e druk, Haarlem 1891. J.R.Kist, Daumier, verslaggever van zijn tijd, Utrecht 1971.22aug15p007

 

Twitter

Social media

twitterFacebook

Contact

Stip Media

Louise de Colignystraat 15 

1814 JA Alkmaar

+3172 531 49 78

info@boekenpost.nl